Mag ik gewoon zijn? (hoogbegaafd kind)

‘Je neemt wel jezelf mee’, zegt de leerkracht als we hem vertellen dat we een overstap naar voltijds hoogbegaafdenonderwijs overwegen. Hij twijfelt of zo’n stap iets toevoegt aan het welzijn van ons kind. Hij kent meerdere verhalen van kinderen die met hangende pootjes terugkeerden. Bovendien is ons kind echt een ander kind dan de twee kinderen uit groep vijf, die school geen uitdaging meer kon bieden en die onlangs ook die overstap maakten. De opmerkingen van de leerkracht komen hard aan. Direct begin ik te twijfelen, zoals ik al zo vaak heb gedaan sinds we weten dat onze kinderen hoogbegaafd zijn. Is dit onze blinde vlek? Hebben wij te hoge verwachtingen van het onderwijs? Van ons kind? Heeft ons kind juist last van de hoogbegaafdenbril waarmee we kijken? Plak ik mijn eigen verleden op haar heden? Ligt het aan ons gezin? Is ons kind echt hoogbegaafd? Ik deel mijn onzekerheid niet. Het voelt te kwetsbaar. Met een vriendelijke glimlach trek ik een onzichtbaar muurtje op tussen de leerkracht en mij.

Onze jongste gaat één keer per week een uur naar de plusklas van school en krijgt ander rekenwerk dan haar klasgenoten. Van een vrolijke nieuwsgierige peuter is ze veranderd in een angstig meisje met ernstige blik, dat vooral bezig is met het scannen van haar omgeving. ‘Wat wordt er verwacht van mij? Hoe voelt mijn meester zich vandaag? Hoe zorg ik dat ik er bij blijf horen en niet opval? Hoe zorg ik ervoor dat ik mezelf niet laat meeslepen door alles wat ik waarneem? Gedachten en vragen die me zo naar een ander onderwerp en andere wereld voeren of waarvan ik dichtklap. Een geur, de onderstroom, onrechtvaardigheid, geklets, bewegingen en blikken.’ Er is weinig ruimte voor nieuwe dingen. Ze is, onzichtbaar voor anderen, aan het overleven. Als ze aangeeft dat het pluswerk te veel is, moedigt haar leerkracht haar aan door te zetten. Alles voor de leerkuil. Thuis nemen de woede-uitbarstingen toe. Het wordt steeds moeilijker om ’s ochtends op te staan en naar school te gaan. Tegelijk wordt ons vertrouwen in school, de hoop dat we er samen uitkomen, kleiner.

Vlak voor de zomervakantie hakken we de knoop door. Het doet pijn, we zijn gehecht aan deze plek, de ouders, de kinderen en het team. We schrijven onze dochter in voor een dorpsschool twintig kilometer verderop. Een school waar voltijds hoogbegaafden onderwijs wordt aangeboden, gewoon, naast de andere groepen. Én met net zoveel meisjes als jongens. Het gebouw en het plein lijken in niets op de oude school. Alles is kleiner en kaler. Maar onze dochter bloeit op. Haar wangen krijgen weer kleur, ze ontspant, ze hervindt haar nieuwsgierigheid naar de wereld.

Een paar maanden later, op weg naar het kerstdiner, bekijk ik haar door de achteruitkijkspiegel. Ze zit op de achterbank, met haar zelfgemaakte hapjes op schoot. Haar ogen glinsteren. Ze vraagt of ik de lucht zie, hoe mooi de kleuren en dat ze die gaat schilderen als we thuis zijn. ‘Zouden ze op de oude school nu ook Kerst vieren’, mijmert ze. ‘Ik mis ze soms, dan bedenk ik dat ik op een dag weer binnenloop, alsof ik nooit ben weggegaan. Wat zouden ze dan doen?’ We delen ons verlangen om te horen dat je gemist wordt. Ik vraag haar of ze terug zou willen als het kon. Tot mijn verbazing schudt ze haar hoofd. ‘Nee, dit is nu mijn school. Hier begrijpen ze me, zonder dat ik het nog een keer moet uitleggen. Zélfs de jongens.’ Ze lacht om het laatste. ‘Ik heb geen extra werk. Iedereen blijft in de groep.’ Ze staart naar buiten. ‘Misschien komt het omdat iedereen hoogbegaafd is in mijn klas,’ zegt ze. ‘Ik weet het niet, we hoeven het nooit over dat woord te hebben. Hier kan ik gewoon zijn.’