Auteur: Jojanneke van Mourik | Recensie: Tení Brouwer
Een boek dat hoogbegaafde kinderen niet vertelt wie ze moeten zijn, maar hen helpt ontdekken wie ze al zijn.
Er verschijnen regelmatig boeken over hoogbegaafdheid, maar Geboren om te vliegen van Jojanneke van Mourik heeft een duidelijk eigen uitgangspunt. Het boek is geschreven voor hoogbegaafde kinderen en wil hen niet alleen uitleggen wat hoogbegaafdheid is, maar hen vooral helpen begrijpen hoe hun eigen denken, voelen en waarnemen kan werken. De auteur kiest daarbij nadrukkelijk voor een positieve benadering: hoogbegaafdheid is niet alleen iets waarmee een kind kan worstelen, maar ook een bijzondere manier van in de wereld staan.
Dat uitgangspunt is belangrijk. Hoogbegaafde kinderen krijgen immers nogal eens te horen dat ze ‘slim’ zijn. Daarmee wordt echter maar een klein deel van hun ervaring geraakt. Een hoogbegaafd kind kan razendsnel verbanden leggen, diep nadenken over ogenschijnlijk eenvoudige vragen, sterk reageren op gebeurtenissen, behoefte hebben aan autonomie en tegelijkertijd moeite hebben met aansluiting bij leeftijdsgenoten. Het kan enthousiast en nieuwsgierig zijn en zich op school toch vervelen. Het kan heel goed weten wat het wil en tegelijkertijd overweldigd raken door alles wat het waarneemt.
Van Mourik neemt de lezer mee langs verschillende aspecten van hoogbegaafdheid, waaronder denken, leren, zijn, voelen en verwerken. Ook thema’s als over- en onderprikkeling, intense emoties, top-down denken, autonomie, contact met anderen en het tegelijk kunnen overzien van het geheel én oog hebben voor details komen aan bod. Daarmee ontstaat een veel rijker beeld dan het stereotype van het kind dat ‘gewoon heel goed kan leren’.
Een van de sterkste kanten van het boek is de herkenning die het kan oproepen. Voor een kind kan het bijzonder betekenisvol zijn om te lezen dat bepaalde ervaringen niet betekenen dat er iets mis met hem of haar is. Dat anders denken, intens voelen of veel behoefte hebben aan autonomie onderdeel kan zijn van wie je bent. Een reactie van een kindercoach op het boek illustreert dat treffend: een jongen die langere tijd niet goed in zijn vel zat, zei na het lezen: “Nu snap ik eindelijk hoe ik in elkaar zit!”
Daarmee raakt Geboren om te vliegen aan een wezenlijk thema binnen de begeleiding van hoogbegaafde kinderen: zelfbegrip. Wanneer een kind zichzelf beter begrijpt, ontstaat er ruimte om ook anders naar moeilijkheden te kijken. Niet iedere botsing met een klasgenoot hoeft bijvoorbeeld te betekenen dat een kind sociaal ‘onhandig’ is. Niet iedere heftige emotie hoeft een probleem te zijn. En niet iedere behoefte aan uitdaging betekent dat een kind alleen maar méér of moeilijker schoolwerk nodig heeft. Het boek nodigt uit om achter het gedrag te kijken naar de behoeften en kenmerken van het kind.
De metafoor uit de titel maakt die boodschap mooi zichtbaar. Hoogbegaafde kinderen worden door Van Mourik vergeleken met adelaars: niet beter dan andere vogels, maar anders toegerust en met andere behoeften. Juist daarin zit een belangrijke nuance. Het boek verheerlijkt hoogbegaafdheid niet en maakt van het label geen identiteit die het hele kind bepaalt. Het laat zien dat er mooie én moeilijke kanten zijn en dat ieder kind daarnaast vooral zichzelf blijft.
Dat maakt het boek ook interessant voor volwassenen rondom het kind. Ouders, leerkrachten, begeleiders en andere professionals kunnen het gebruiken als ingang voor gesprekken. Wat herkent een kind? Waar wijkt zijn of haar ervaring af? Waar loopt het tegenaan? En wat helpt? Het boek kan daarmee niet alleen gelezen worden door het kind, maar ook samen met het kind.
De keuze om hoogbegaafde kinderen zelf rechtstreeks aan te spreken, vind ik bijzonder waardevol. Te vaak wordt er óver kinderen gesproken: door ouders, school en professionals. Geboren om te vliegen draait dat perspectief om. Het kind krijgt informatie en taal aangereikt om zelf betekenis te geven aan zijn of haar ervaringen. Dat past bij de bredere beweging om hoogbegaafde kinderen niet uitsluitend vanuit problemen, prestaties of onderwijsbehoeften te bekijken, maar ook vanuit talent, autonomie en eigen regie.
Tegelijkertijd is het goed om het boek niet als een universele beschrijving van ‘de hoogbegaafde’ te lezen. Hoogbegaafde kinderen vormen geen homogene groep en herkenning van een bepaald kenmerk zegt op zichzelf niets over hoogbegaafdheid. De waarde van het boek zit juist in het aanbieden van mogelijke verklaringsmodellen en herkenningspunten, waarna het gesprek met het individuele kind kan beginnen.
Geboren om te vliegen is een relevante verschijning. Het boek vult een behoefte die in de praktijk groot is: materiaal waarmee een hoogbegaafd kind zélf kan leren begrijpen wat hoogbegaafdheid betekent. Niet als etiket, niet als bewijs van meerwaarde, maar als een mogelijke sleutel tot zelfkennis.
De titel vat uiteindelijk precies samen wat dit boek wil meegeven. Een adelaar hoeft niet te leren een andere vogel te worden. Maar hij moet wel ontdekken hoe hij kan vliegen, waar hij kan landen en wat hij nodig heeft om tot zijn recht te komen.
Kortom: Een warm, toegankelijk en positief boek dat hoogbegaafde kinderen taal geeft voor hun binnenwereld en hen uitnodigt om niet minder, niet meer, maar vooral zichzelf te zijn!


