Niet elk hoogbegaafd kind wil ‘meer’ (de plusklas)

‘Hoe zou je leven eruit zien als je in Rotterdam geboren was?’ Onze zoon imiteert de stem van zijn leerkracht. ‘Ik heb niets met deze kinderen mama!’ Hij zucht en kijkt me aan met een boze blik. Hij heeft die ochtend meegedraaid met de plusklas van zijn basisschool, waar ze hebben gefilosofeerd. Sinds kort weten we dat hij hoogbegaafd is. Voor ons zijn heel veel puzzelstukjes op hun plek gevallen. Maar hij beleeft de ontdekking vooral als gedoe waar hij niet op zit te wachten. Ineens wordt zijn kabbelende leventje in groep acht, waar hij lekker veel kon dagdromen, niets hem moeite kostte en waar hij niet opviel, ruw verstoord.

Veel ouders willen dat hun kind een plekje in de plusklas krijgt. Het wordt gezien als een vorm van exclusieve aandacht. De uitleg van school versterkt dit beeld. De klas zou bedoeld zijn voor kinderen die meer uitdaging nodig hebben. Meer uitdaging nodig hebben betekent in de ogen van deze ouders meer kans op succes later. In de praktijk lijken vooral de hoog presterende kinderen, die willen leren, in de plusklas terecht te komen. Dat zijn zeker niet alle hoogbegaafde kinderen. De groep die zich aanpast om niet op te vallen en die geen fouten durft te maken, valt buiten deze blik. De kinderen die onopgemerkt met een boogje om iedere vaardigheid heen lopen die moeite kost. Zoals onze zoon.

Zijn leerkrachten hebben hem, na de uitslag van het intelligentie-onderzoek, direct aangemeld voor de plusklas. Toevallig zitten in zijn groep zeven kinderen die ook naar de plusklas gaan. Het zijn kinderen waar hij nooit mee afspreekt of de pauzes mee doorbrengt, maar in theorie zijn het peers.

Al snel laten we onze verwachting los dat hij herkenning zal vinden en zich thuis zal voelen bij de kinderen in de plusklas. Hij vindt de gezamenlijke denkopdrachten en al het gefilosofeer verschrikkelijk. Binnen de plusklas ontstaan hechte vriendschappen, maar onze zoon kan niet wachten tot de les voorbij is en hij zich weer kan aansluiten bij zijn eigen vrienden. Kinderen die moeite hebben met de basisstof van de basisschool en die met hele andere dingen bezig zijn dan met school.

Na een maand gemopper van onze zoon beginnen wij ook te twijfelen. Misschien moeten we stoppen met de plusklas en het woord hoogbegaafdheid laten voor wat het is. Maar de leerkracht van de plusklas geeft aan dat ze iets wil uitproberen. Ze had hem laatst laten programmeren, dat kan hij goed. Maar toen ze een tijdje bij hem zat, zag ze dat hij alleen de opdrachten maakte die hij kent. Zodra hij bij een opdracht kwam die om een nieuwe vaardigheid vroeg, stopte hij.

Twee weken later zitten mijn zoon en ik in de auto. Ik vraag voorzichtig hoe het gaat in de plusklas en zet me schrap voor een boos antwoord. ‘Hm, ik weet niet, misschien is het toch niet zo erg’, zegt hij. Als ik opzij kijk zie ik een blik die ik niet van hem ken. Misschien

is hij verliefd? ‘Ja, ik weet niet, ik voel me anders.’ Hij vertelt dat hij de laatste keer eigenlijk weg wilde lopen uit de klas. De leerkracht had gezegd dat hij iets nieuws moest proberen met programmeren. ‘Toen heb ik het toch gedaan. Daarna voelde ik me raar. En ik voel het nog.’ Het blijft even stil. Verwonderd kijk ik hem aan. Dan zegt hij: ‘Ik denk dat ik het weet. Ik voel me trots.’

Mijn hartgebied vult zich met een warm gevoel. Blij voor hem. En trots.